Les 17: Hechting volgens Erikson

Het belang van een gevoel van basisveiligheid voor de ontwikkeling van een kind werd gezien door Erikson (1902-1994). Volgens hem was het zo dat een combinatie van een goede hechting en een goed basisvertrouwen een kind de beste mogelijkheden zouden geven om zich verder evenwichtig te kunnen ontwikkelen.

De ontwikkeling die doorgemaakt werd, is beschreven in een zogeheten stadiumtheorie. De stadia die Erikson beschrijft worden door alle mensen in een vaste volgorde doorlopen. In zijn theorie onderschrijft hij de interactie met de omgeving, daarom wordt zijn theorie ook wel een psychosociale theorie genoemd.

Tot en met de adolescentie zijn er vijf stadia die doorlopen worden. De stadia worden beschreven in termen van ontwikkelingscrises waarin een bepaald conflict moet worden opgelost.

Basisvertrouwen versus basaal wantrouwen

In het eerste levensjaar heeft de ontwikkelingscrisis betrekking op het verwerven van een gevoel van basisvertrouwen. Wanneer kinderen ervaren dat er goed voor hen gezorgd wordt en dat voldaan wordt aan de belangrijkste behoeften, ontwikkelt het basisvertrouwen in omgeving en in andere mensen. Op het moment dat kinderen dit niet ervaren, ontwikkelt het juist een basaal wantrouwen tegenover de buitenwereld.

Autonomie versus schaamte en twijfel

Wanneer het kind de leeftijd tussen de één en drie jaar heeft, staat het voor de taak om autonomie te gaan verwerven. Dit kan op het moment als het kind daar genoeg vertrouwen voor heeft opgebouwd. In deze periode wordt de autonomie verworven door af te gaan zetten tegen de opvoeders. Denk maar aan de fase van twee is nee. Wanneer kinderen dit stadium goed doorlopen, ontwikkelen ze een gevoel van autonomie en zelfstandigheid. Lukt dat niet, dan ontwikkelen ze schaamte en twijfel aan hun eigen kunnen.

Initiatief versus schuldgevoel

Wanneer kinderen tussen de drie en zes jaar zijn. hebben zij te maken met het conflict tussen initiatief nemen en schuldgevoel. De wil om nieuwe dingen te ondernemen heeft betrekking op het initiatief. Deze wil kan hen in conflict brengen met opvoeders en ook andere kinderen in hun omgeving. Hoe deze ontwikkelingscrisis doorlopen wordt, heeft mede te maken met de manier hoe het kind reageert op de omgeving en de conflicten.

Vlijt versus minderwaardigheid

De crisis van vlijt versus minderwaardigheid speelt vanaf de leeftijd van ongeveer zes jaar. Ze gaan steeds meer bezig met het ontwikkelen van capaciteiten om te werken en mogelijkheden te ontplooien. Datgene wat ze doen wordt beloond met bevestigingen en erkenning. Wanneer er eisen aan het kind worden gesteld die het kind niet waar kan maken, dan kan dit ertoe leiden dat het kind hierdoor een gevoel van minderwaardigheid ontwikkelt.

Identiteit versus rolverwarring

Deze periode speelt zich vooral af in de puberteitsperiode, de periode om bezig te zijn met het ontdekken van de eigen identiteit. Wie ben ik, wat kan ik en wat is mijn plaats in de maatschappij? Wanneer de jongere zelf keuzes kan maken en een eigen identiteitsgevoel ontwikkeld heeft, zou je kunnen stellen dat deze periode goed doorlopen is. Op het moment dat dit niet lukt, kan er verwarring blijven over de eigen identiteit als ook de maatschappelijke rollen.

Opdracht 1
  1. Pak je eigen verliesverhaal er eens bij.
  2. Gebruik voor deze opdracht het werkblad ‘Periodes van Erikson’ uit het werkboek.
  3. Deel je uitwerking van de opdracht in de besloten Facebook groep onder gids 23. 

 

Opdracht 2
  1. Lees de opdrachten die gedeeld zijn door de andere deelnemers van de cursus.
  2. Welke overeenkomsten zie je in jouw opdracht en die van de anderen?
  3. Welke verschillen zie je in jouw opdracht en die van de anderen?
  4. Deel je antwoorden in de besloten Facebook groep onder gids 24.