Les 16: Hechtingsrelaties

John Bowlby ontwikkelde in 1969 de eerste theorievorming over hechting en hechtingsrelaties. Op het moment dat een kind zich in een stresssituatie bevindt is goed te zien hoe de hechting ontwikkeld is. Kinderen zoeken in deze situaties dan een opvoeder op voor rust of voor troost. Mary Ainsworth, de leerling van John Bowlby, onderzocht hoe dit gedrag er dan concreet uitzag. Dit deed zij met de daarvoor speciaal ontwikkelde methode ‘Strange  Situation’.

Voor deze methode is er een setting waarbij het kind samen met een vertrouwde opvoeder een (onbekende) ruimte binnen komt waar reeds een andere vreemde persoon aanwezig is. Kort na binnenkomen, verlaat de vertrouwde opvoeder de kamer om het kind alleen te laten met de vreemde persoon. Deze situatie wordt opgezet om te onderzoeken hoe het kind reageert in een situatie als deze. Tevens wordt er onderzocht hoe het kind reageert op het moment dat de vertrouwde opvoeder weer terug komt in de ruimte.

Om dit onderzoek in zijn geheel uit te kunnen voeren is er voor het kind sprake van drie verschillende stressfactoren. Deze stressfactoren zijn: een onbekende situatie, een onbekende persoon en een kortdurende scheiding van de opvoeder. Met het onderzoek wilde men het onderscheid onderzoeken tussen een ‘veilige’ en ‘onveilige’ hechtingsrelatie.

Veilig gehecht

De hoeveelheid veilig gehechte kinderen beslaat in totaal ongeveer 65% van alle kinderen. Wanneer een kind veilig gehecht is, heeft het een relatief goed aanpassingsvermogen voor vreemde situaties. Dit geldt vooral wanneer een vertrouwde opvoeder in de nabije omgeving aanwezig is. Het kind zal zich snel veilig genoeg voelen om te gaan spelen en op onderzoek uit te gaan. Onbekende personen in de ruimte vind het kind ook geen probleem, zolang de vertrouwde opvoeder in de nabije omgeving aanwezig is. Mocht de vertrouwde opvoeder toch om wat voor reden dan ook de ruimte moeten verlaten, dan zal het kind met enig verdriet of onrust reageren. Wanneer de vertrouwde opvoeder terugkeert, zoekt het kind contact met de vertrouwde opvoeder en is er duidelijk blijheid en opluchting te zien bij het kind. De vertrouwde opvoeder is in staat om het kind gemakkelijk te kalmeren en troosten en kan helpen bij het vinden van evenwicht. Bij een veilige gehechtheid zijn het kind en de vertrouwde opvoeder zichtbaar positief gestemd in elkaars aanwezigheid.

Onveilig vermijdend

Het aantal onveilig vermijdende gehechte kinderen beslaat ongeveer 25% van het aantal kinderen. Wanneer het kind onveilig vermijdend gehecht is, reageert het heel anders. Het kind lijkt weinig onderscheid te maken tussen bekende en onbekende mensen en lijkt weinig onder de indruk van een onbekende situatie. Kinderen die onveilig vermijdend gehecht zijn zullen dan vaak ook niet heel hevig reageren als de vertrouwde opvoeder de nabije omgeving verlaat. Wanneer de vertrouwde opvoeder terugkeert, is er ook nauwelijks een emotionele reactie waarneembaar van het kind. Onveilig vermijdende gehechte kinderen negeren de vertrouwde opvoeder zelfs wanneer het opgepakt wordt. Deze kinderen kijken weg of proberen zich zelfs te maken in deze situaties. Wat tevens opvallend is, is dat onveilig vermijdend gehechte kinderen zich net zo makkelijk door een onbekend persoon laten troosten als dit nodig is als door de vertrouwde opvoeder. Gevoelens van onveiligheid en stress worden niet getoond door het kind. Bij een onveilig vermijdende gehechtheid is er tussen het kind en de vertrouwde opvoeder weinig gevoelsmatige interactie te zien. Het kind maakt de indruk dat er geen sprake is van een sterke gehechtheid met de vertrouwde opvoeder.

Onveilig ambivalent

Het aantal onveilig ambivalente gehechte kinderen beslaat ongeveer 10% van het aantal kinderen. Deze groep kinderen voelt zich zichtbaar angstig en niet op zijn gemak in een onbekende situatie, zelfs in de nabijheid van een vertrouwde opvoeder. Kinderen die onveilig ambivalent gehecht zijn zullen geen contact maken met onbekende personen in eenzelfde ruimte en zullen ook weinig tot spelen komen. Op het moment dat de vertrouwde opvoeder de ruimte verlaat en het kind achterlaat, zal deze zeer aangedaan zijn. Bij terugkeer van de vertrouwde persoon wordt contact gezocht, echter blijft het kind ontroostbaar. Vaak is er ook een gevoel van boosheid en weerstand naar de vertrouwde opvoeder toe. Je zou kunnen stellen dat ambivalent staat voor een vorm van wispelturigheid, dan weer vragen om troost en dan weer troost afwijzen.

Gedesorganiseerde gehechtheid

Binnen de groep onveilige hechting wordt nog een andere groep onderscheiden, namelijk de gedesorganiseerde gehechtheid. Ongeveer 15% van alle onveilig gehechte kinderen is gedesorganiseerde gehecht. Deze kinderen tonen inconsistent gedrag zonder dat daaraan een strategie ten grondslag ligt. Kinderen zoeken eerst de nabijheid van de vertrouwde opvoeder op om deze vervolgens weer af te wenden. In het spel zijn perioden te zien van tevredenheid afgewisseld met momenten van hevige angst. In het gedrag laat het kind soms een verkrampte en verwarde indruk zien, het weet niet wat te doen en lijk gedesoriënteerd. De vertrouwde persoon die veroorzaakt angst en dat is iets waar het kind moeilijk mee om kan gaan. Deze vorm van gehechtheid leidt over het algemeen op latere leeftijd dan ook tot de meeste problemen

 

Opdracht 1
  1. Doe de hechtinssgstijltest.
  2. Wat zegt de test over jouw manier van hechten?
  3. Deel je antwoorden in de besloten Facebook groep onder gids 21.
Opdracht 2
  1. Pak je verliesverhaal er eens opnieuw bij.
  2. Heb je ook ergens in je verliesverhaal opgeschreven hoe jij bent omgegaan met de verliezen die je geleden hebt?
  3. Kun je de jouw gedrag koppelen aan de uitslag van de hechtingsstijltest?
  4. 4. Wat heeft de koppeling jouw te vertellen denk je?
  5. Deel je antwoorden in de besloten Facebook groep onder gids 22.