Les 10: De cognitieve ontwikkeling bij verlies

Om te begrijpen hoe we jeugdigen kunnen ondersteunen en begeleiden na een verlies, is het van belang om te weten hoe de cognitieve ontwikkeling is bij verlies. In de pedagogiek heeft Piaget de cognitieve ontwikkeling beschreven in vier stappen, namelijk:

  1. Het sensori-motorisch stadium. Deze loopt van nul tot twee jaar. Het sensori-motorisch stadium is het stadium waarbij het gaat om het zintuiglijk (sensori-) en handelend (motorisch) begrijpen van de wereld.
  2. Het pre-operationele stadium. Deze loopt van twee tot zes jaar. Het preoperationele stadium staat voor het onsystematisch en onlogisch denken van de peuter en kleuter.
  3. Het concreet operationele stadium. Deze loopt van zes tot twaalf jaar. Het concreet operationele stadium verwijst naar het systematische, concrete en logische denken van het lagereschoolkind.
  4. Het stadium van de formele denkoperaties dat het abstracte en hypothetisch-deductieve denken van de adolescent schetst loopt vanaf de leeftijd van twaalf jaar.

Kinderen tot twee jaar

Kinderen in deze leeftijd doen alles op gevoel of door te handelen, vandaar sensori- (zintuiglijk) motorisch (handelend). Zij hebben op deze leeftijd namelijk nog niet het cognitieve vermogen om dingen te begrijpen of te vragen. Op deze leeftijd zijn kinderen uitermate sensitief, waardoor zij voornamelijk reageren met hun lijf.

Verlieservaringen, zoals bijvoorbeeld het verlies van een dierbare zullen zij dan ook ervaren door middel van hun gevoel. Het kind merkt bijvoorbeeld in contact met een ouder of opvoeder dat er dingen veranderen, bijvoorbeeld door een veranderende spierspanning van een ouder of opvoeder.

Overigens ervaart het jonge kind deze gebeurtenissen niet bewust. Het kind slaat de informatie wel op, wat later weer een rol zou kunnen gaan spelen, maar dat hoeft dus niet perse zo te zijn.

Kinderen van twee tot zes jaar

In dit stadium leert het jonge kind heel wat cognitieve vaardigheden bij. Het jonge kind kan in dit stadium geestelijke voorstellingen maken van dingen en gebeurtenissen en beschikt over een eerste primitieve voorstelling van het zelf. Deze periode is tevens de bloeiperiode van de fantasie. Hier is een onderscheid voor peuters en kleuters. Kleuters slagen er namelijk vaker dan de peuter in om fantasie en werkelijkheid uit elkaar te houden, en meestal weten ze hun fantasie ook positiever aan te wenden als een bron van plezier en speelse creativiteit. Voorbeelden hiervan zijn de ‘doen alsof’ spelletjes of het fantasiespel wat ook al door de peuter wordt gespeeld.

In deze leeftijd weten kinderen al goed het verschil tussen leven en dood. Het woord dood wordt door kinderen in deze leeftijd ook gebruikt in hun spel en gesprekjes; ‘jij bent dood, je moet blijven liggen’. Maar wat dood precies is, weten ze eigenlijk niet. Ze weten dat mensen en dieren dood kunnen gaan, maar ze weten niet dat dood iets definitiefs is. Voor hen is dood iets tijdelijks, een soort slaap, waarbij de dode niet meer kan zien of bewegen. Wel beginnen ze op deze leeftijd het besef te krijgen dat dood verdriet met elkaar te maken hebben. Ze voelen echter nog geen angst voor de dood. Ze zijn juist nieuwsgierig naar de dood en dan vooral naar de lichamelijke en biologische kanten van de dood.

Dit geldt ook voor andere verliezen waarmee een kind in deze leeftijd te maken kan krijgen.

Kinderen van zes tot twaalf jaar

Het kind kan nu systematisch, concreet en logisch nadenken over dingen. Met andere woorden, het kind is in staat tot gedachtenhandelingen, het kan nu dus verschillende oplossingen voor een probleem uitproberen in zijn gedachten. Het lagere schoolkind is in staat tot het zogeheten ‘magisch’ denken. Dit houdt in dat het kind onderscheid kan maken tussen wat ‘echt’ en wat ‘fantasie’ is. Kinderen krijgen dan ook een voorkeur voor dingen die ‘echt’ zijn of ‘echt’ kunnen zijn.

Kinderen in deze leeftijdscategorie krijgen steeds meer cognitief begrip van wat verlies is zoals bijvoorbeeld ‘de dood’. Ze komen erachter wat dood precies is, en dat de dood definitief is. Het is ‘echt’. Ze komen erachter dat de dood niet te vermijden is. Kinderen in deze leeftijd zijn erg geïnteresseerd in de dood en willen steeds meer onderzoeken wat de dood eigenlijk is. Alles wat de dood is of met de dood te maken heeft is interessant voor deze leeftijd. Kinderen in deze leeftijdscategorie komen met een hoop vragen over de dood en zullen overledenen ook gaan betasten, eventueel oogleden openen om te kijken of de overledene nu echt niets meer kan zien.

Betreft andere vormen van verlies willen kinderen in deze leeftijdsfase ook het liefst alles weten over hoe het nu exact in elkaar zit. Het beste is dan ook om zo eerlijk en transparant mogelijk te antwoorden naar het kind toe. Uiteraard wel op het niveau van het kind.

Twaalf jaar en ouder

Waar het kind eerder nog systematisch, concreet en logisch na kon denken over concrete situaties, kan het nu ook nadenken over abstracte situaties. Er wordt niet meer alleen nagedacht over het hier en nu (omgeving en realiteit), maar ook over hoe iets had kunnen zijn of hoe iets eruit had kunnen zien.

In deze leeftijd is het niet gek wanneer er vragen komen zoals bijvoorbeeld: hoe zou het zijn geweest al papa en mama nog bij elkaar waren geweest, ondanks een scheiding? Hoe zouden de feestdagen gevierd worden als opa er nog was geweest?

Opdracht
  1. Lees de casus ‘Een muis onder het kleed’. Deze kun je vinden in het werkboek.
  2. Stel jij bent de pedagogisch medewerker op deze BSO en raakt verzeild in deze situatie, hoe zou jij handelen?
  3. Leg uit waarom je zo zou handelen.
  4. Deel je antwoorden in de besloten Facebook groep onder gids 13.

Om te begrijpen hoe we jeugdigen kunnen ondersteunen en begeleiden na een verlies, is het van belang om te weten hoe de cognitieve ontwikkeling is bij verlies. In de pedagogiek heeft Piaget de cognitieve ontwikkeling beschreven in vier stappen, namelijk:

  1. Het sensori-motorisch stadium. Deze loopt van nul tot twee jaar. Het sensori-motorisch stadium is het stadium waarbij het gaat om het zintuiglijk (sensori-) en handelend (motorisch) begrijpen van de wereld.
  2. Het pre-operationele stadium. Deze loopt van twee tot zes jaar. Het preoperationele stadium staat voor het onsystematisch en onlogisch denken van de peuter en kleuter.
  3. Het concreet operationele stadium. Deze loopt van zes tot twaalf jaar. Het concreet operationele stadium verwijst naar het systematische, concrete en logische denken van het lagereschoolkind.
  4. Het stadium van de formele denkoperaties dat het abstracte en hypothetisch-deductieve denken van de adolescent schetst loopt vanaf de leeftijd van twaalf jaar.

 

Kinderen tot twee jaar

Kinderen in deze leeftijd doen alles op gevoel of door te handelen, vandaar sensori- (zintuiglijk) motorisch (handelend). Zij hebben op deze leeftijd namelijk nog niet het cognitieve vermogen om dingen te begrijpen of te vragen. Op deze leeftijd zijn kinderen uitermate sensitief, waardoor zij voornamelijk reageren met hun lijf.

Verlieservaringen, zoals bijvoorbeeld het verlies van een dierbare zullen zij dan ook ervaren door middel van hun gevoel. Het kind merkt bijvoorbeeld in contact met een ouder of opvoeder dat er dingen veranderen, bijvoorbeeld door een veranderende spierspanning van een ouder of opvoeder.

Overigens ervaart het jonge kind deze gebeurtenissen niet bewust. Het kind slaat de informatie wel op, wat later weer een rol zou kunnen gaan spelen, maar dat hoeft dus niet perse zo te zijn.

 

Kinderen van twee tot zes jaar

In dit stadium leert het jonge kind heel wat cognitieve vaardigheden bij. Het jonge kind kan in dit stadium geestelijke voorstellingen maken van dingen en gebeurtenissen en beschikt over een eerste primitieve voorstelling van het zelf. Deze periode is tevens de bloeiperiode van de fantasie. Hier is een onderscheid voor peuters en kleuters. Kleuters slagen er namelijk vaker dan de peuter in om fantasie en werkelijkheid uit elkaar te houden, en meestal weten ze hun fantasie ook positiever aan te wenden als een bron van plezier en speelse creativiteit. Voorbeelden hiervan zijn de ‘doen alsof’ spelletjes of het fantasiespel wat ook al door de peuter wordt gespeeld.

In deze leeftijd weten kinderen al goed het verschil tussen leven en dood. Het woord dood wordt door kinderen in deze leeftijd ook gebruikt in hun spel en gesprekjes; ‘jij bent dood, je moet blijven liggen’. Maar wat dood precies is, weten ze eigenlijk niet. Ze weten dat mensen en dieren dood kunnen gaan, maar ze weten niet dat dood iets definitiefs is. Voor hen is dood iets tijdelijks, een soort slaap, waarbij de dode niet meer kan zien of bewegen. Wel beginnen ze op deze leeftijd het besef te krijgen dat dood verdriet met elkaar te maken hebben. Ze voelen echter nog geen angst voor de dood. Ze zijn juist nieuwsgierig naar de dood en dan vooral naar de lichamelijke en biologische kanten van de dood.

Dit geldt ook voor andere verliezen waarmee een kind in deze leeftijd te maken kan krijgen.

 

Kinderen van zes tot twaalf jaar

Het kind kan nu systematisch, concreet en logisch nadenken over dingen. Met andere woorden, het kind is in staat tot gedachtenhandelingen, het kan nu dus verschillende oplossingen voor een probleem uitproberen in zijn gedachten. Het lagere schoolkind is in staat tot het zogeheten ‘magisch’ denken. Dit houdt in dat het kind onderscheid kan maken tussen wat ‘echt’ en wat ‘fantasie’ is. Kinderen krijgen dan ook een voorkeur voor dingen die ‘echt’ zijn of ‘echt’ kunnen zijn.

Kinderen in deze leeftijdscategorie krijgen steeds meer cognitief begrip van wat verlies is zoals bijvoorbeeld ‘de dood’. Ze komen erachter wat dood precies is, en dat de dood definitief is. Het is ‘echt’. Ze komen erachter dat de dood niet te vermijden is. Kinderen in deze leeftijd zijn erg geïnteresseerd in de dood en willen steeds meer onderzoeken wat de dood eigenlijk is. Alles wat de dood is of met de dood te maken heeft is interessant voor deze leeftijd. Kinderen in deze leeftijdscategorie komen met een hoop vragen over de dood en zullen overledenen ook gaan betasten, eventueel oogleden openen om te kijken of de overledene nu echt niets meer kan zien.

Betreft andere vormen van verlies willen kinderen in deze leeftijdsfase ook het liefst alles weten over hoe het nu exact in elkaar zit. Het beste is dan ook om zo eerlijk en transparant mogelijk te antwoorden naar het kind toe. Uiteraard wel op het niveau van het kind.

 

Twaalf jaar en ouder

Waar het kind eerder nog systematisch, concreet en logisch na kon denken over concrete situaties, kan het nu ook nadenken over abstracte situaties. Er wordt niet meer alleen nagedacht over het hier en nu (omgeving en realiteit), maar ook over hoe iets had kunnen zijn of hoe iets eruit had kunnen zien.

In deze leeftijd is het niet gek wanneer er vragen komen zoals bijvoorbeeld: hoe zou het zijn geweest al papa en mama nog bij elkaar waren geweest, ondanks een scheiding? Hoe zouden de feestdagen gevierd worden als opa er nog was geweest?

Opdracht
  1. Lees de casus ‘Een muis onder het kleed’. Deze kun je vinden in het werkboek.
  2. Stel jij bent de pedagogisch medewerker op deze BSO en raakt verzeild in deze situatie, hoe zou jij handelen?
  3. Leg uit waarom je zo zou handelen.
  4. Deel je antwoorden in de besloten Facebook groep onder gids 13.